ARTIKELS OVER DE WATERSLAGER.


Achtereenvolgens vindt u:

  • Deel 1: Waterslagers – oorsprong, zang, zangopleiding en foktechnische aanwijzingen.

    In dit deel wordt uitgebreid ingegaan op het gericht fokken waterslagers met als doel het lied te verbeteren, de zangtoeren, de beoordeling daarvan en het deelnemen aan zangwedstrijden. Het deel wordt afgesloten met een beredeneerde bibliografie en een overzicht van in het tijdschrift ‘Onze Vogels’ verschenen artikelen over zangkanaries in het algemeen en waterslagers in het bijzonder. Dit vindt u onder de link: Zangkanaries.


  • Deel 2: Waterslagers – Het lied van de waterslager nader bekeken.

    In dit deel vindt u een bundel artikelen, waarvan het merendeel eerder gepubliceerd werd in o.m. het tijdschrift ‘Onze Vogels’ en waarin dieper wordt ingegaan op diverse aspecten van het lied van de waterslager. Dit vindt u onder de link "Artikels over de waterslager".


DEEL 2: WATERSLAGERS

HET LIED VAN DE WATERSLAGER NADER BEKEKEN.


Een bundel artikelen, die eerder verschenen in het clubblad van De Kanarievogel en deels ook in ‘Onze Vogels’, orgaan van de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers.

INHOUDSOPGAVE

  1. Over nachtegalen, waterslagers en watergolvers. (Over nachtegaalaccent).
  • Die vermaledijde tjonken. (Over een verdwenen toer, de tjonken).
  • Anachronismen (Over soeten, woeten, tjonken, schokkels).
  • Gewikt en gewogen (Over bellen, belrol en afnemende betekenis van klokkende waterslag).
  • Bollende waterslag: een zangtoer in de schemerzone (Over de bollende waterslag als tussenvorm van klokkende en rollende waterslag).
  • De Hollandse waterslager (Over de raskenmerken van de Hollandse waterslager, het verschil tussen de Belgische en de Hollandse waterslager en de consequenties hiervan voor het keursysteem).
  • In gesprek met …. een eigenzinnige waterslagerkweker (Over het zangmilieu als zangbepalende factor en de experimenten van T.C. Diepenhorst).
  • Naschrift.


  • 1: OVER NACHTEGALEN, WATERSLAGERS EN WATERGOLVERS.

    door Jaap Plokker

    (Dit artikel verscheen eerder in het clubblad van De Kanarievogel, jaargang 1997, nr. 1, pp. 63-74 en in ‘Onze Vogels’, orgaan van de NBvV, jaargang 1997, pp. 174-175 en 200-201).

    De vogelvereniging voor Katwijk en Omstreken De Kanarievogel organiseert voor de zangkwekers ieder najaar enkele avondjes om elkaars vogels af te luisteren en te becommentariëren. Tijdens de in het najaar van 1996 belegde bijeenkomsten kwam bij herhaling het onderwerp nachtegaalaccent ter sprake. Vragen die onder meer aan de orde gesteld werden waren: Wat bedoelen we met de rubriek "nachtegaalaccent" op de keurlijst en hoe beoordeel je het? Hoe belangrijk is het "nachtegaalaccent" voor het lied van de waterslager en komen de "slagvogels" in Nederland wel voldoende tot hun recht? De gedachtewisselingen waren voor mij aanleiding om wat overwegingen betreffende dit onderwerp op papier te zetten.

    NACHTEGAALACCENT BETEKENT NIET: "ZINGEN ALS EEN NACHTEGAAL"
    Betekent het streven naar "nachtegaalaccent" dat de zangkweker gericht moet zijn op het fokken van waterslagers met een zo natuurlijk mogelijk nachtegaallied? In heel veel zangkanarieliteratuur wordt de indruk gewekt dat dit inderdaad het uitgangspunt zou moeten zijn. Als ik echter een waterslager zou bezitten die de natuurlijke zang van een nachtegaal tot in de perfectie zou beheersen en ik zou hem inschrijven voor een zangwedstrijd dan heeft deze vogel geen schijn van kans om in de prijzen te vallen. De natuurlijke zang van de nachtegaal is helemaal niet het ideaalvoorbeeld voor de waterslager, niet in de praktijk en zelfs ook niet in (de zang)theorie.
    Het opstellen van een zangtheorie en daarop gebaseerde "standaardeisen" voor de afzonderlijke toeren is in feite het onderscheiden van wenselijke en onwenselijke elementen in de natuurlijke zang. De bedoeling is dat, o.m. door op zangwedstrijden de ene te belonen en de andere de beloning te onthouden of zelfs te bestraffen, de kweker door doelgerichte fokmethoden de wenselijke elementen versterkt en de onwenselijke zoveel mogelijk elimineert. Op deze wijze wordt natuurlijke zang gecultiveerd. Het in de loop van de jaren ontstane waterslagerlied is een gecultiveerde vorm van natuurlijke kanariezang waarbij tijdens dat cultiveringsproces er o.m. naar gestreefd is de kanarie in staat te stellen doelbewust gekozen elementen uit het lied van de nachtegaal zich eigen te maken. Om misverstanden te voorkomen: het cultiveringsproces is nooit zover gegaan dat het waterslagerlied een volledige imitatie van het nachtegaallied zou moeten zijn.
    In de praktijk blijkt menigeen nog op beide gedachten te hinken en zich niet bewust te zijn van de principiële keuze die al lang geleden gemaakt is. Wanneer een waterslager te harde of te hoge toervormen laat horen wordt dit immers nogal eens door de vingers gezien met de opmerk ing: "Een nachtegaal zingt ook zo". Willen we nu gecultiveerde waterslagerzang volgens de huidige "standaardeisen" of willen we een natuurlijk nachtegaallied? In het ene geval is, bijvoorbeeld, een hoge, spitse "fluit" gewoon een fout en moet die er uit; in het andere geval moeten we zelfs niet eens onze verontschuldiging uitspreken voor de hoge "fluit", maar is het een toer die waardering verdient, een pluspunt voor de vogel, want de "fluiten" van een nachtegaal en hij zingt ze in velerlei vormen, kunnen inderdaad ook hoog zijn.
    Wanneer ik de keus zou moeten maken tussen een waterslager met een gecultiveerde zang, die de in de zangtheorie vastgelegde "standaardeisen" benadert, of een waterslager wiens lied zoveel mogelijk lijkt op de natuurlijke zang van de nachtegaal, kies ik voor de eerste. Ik ben geneigd te veronderstellen dat de overgrote meerderheid van de waterslagerkwekers dezelfde keuze zullen maken. Daarom moeten we de knoop voor eens en altijd doorhakken en afstappen van het "gelonk" naar de natuurlijke zang van de nachtegaal: Een waterslager behoort niet als een nachtegaal te zingen, we willen dat ook niet en daarom mogen in de rubriek "nachtegaalaccent" nooit punten gegeven worden om de reden dat desbetreffende waterslager de natuurlijke zang van een nachtegaal benadert.

    HET NACHTEGAALACCENT ALS BONUS VOOR BEPAALDE TOEREN
    Sommigen definiëren "nachtegaalaccent" als het zingen van gecultiveerde vormen van voor het nachtegaallied karakteristieke toeren. In aansluiting hierop is door de keurmeesters besloten de beoordeling van het "nachtegaalaccent" te bepalen aan de hand van de kwaliteit van de gezongen waardetoeren "klokkende waterslag" en/of "rollende waterslag", "staaltonen", "tjokken" en "tjokkenrol". Hoe mooier de desbetreffende toeren tijdens de zangbeurt zijn gezongen des te hoger is de waardering in de rubriek "nachtegaalaccent". Ontbreekt één of meerdere van genoemde toeren in het lied van een waterslager dan zal de vogel geen punten voor "nachtegaalaccent" scoren.1
    Dit uitgangspunt en met name de toepassing daarvan in de praktijk kan leiden tot bizarre situaties. Als men de richtlijnen consequent toepast ontvangt een waterslager met een krachtig geslagen lied, maar waarin de "watertoeren" ontbreken, geen punten voor "nachtegaalaccent", terwijl waterslagers die wel goede vormen van de vereiste toeren zingen, maar in de verste verte geen "geslagen" zangstructuur bezitten, wel beloond worden met een waardering voor "nachtegaalaccent".
    Op basis van de criteria die door de huidige generatie keurmeesters wordt gehanteerd om "nachtegaalaccent" te waarderen kan men tot geen andere conclusie komen dan dat onder deze noemer in feite een bonus wordt verstrekt voor het zingen van "waterslag", "staaltonen" en "tjokkenpartij". Dat kan in 1981 toch niet de bedoeling zijn geweest van de introductie van de rubriek op de keurlijst?

    NACHTEGAALACCENT BETEKENT: GESLAGEN LIED
    In 1981 werd de introductie van de rubriek "nachtegaalaccent" op de keurlijst door de Technische Commissie Zang van de N.B.v.V. als volgt gemotiveerd: We zochten naar "een middel om de waterslager (wat specifiek een slagvogel of nachtegaalzanger moet zijn) als ras te beschermen. Dit is naar onze mening noodzakelijk omdat het kruisen met harzers, om de diepte van de zang te verbeteren, nadelig werkt in de nateelt, waardoor het slagelement verloren gaat en de vogels worden ook te week en te zacht in hun voordracht. Wij zijn dan ook van mening dat door de invoering van het nachtegaalaccent er meer aandacht aan het slagelement wordt besteed en er meer selectief door de kwekers op wordt gekweekt."2
    Hadden de kwekers en de keurmeesters in het bijzonder, zich de afgelopen 15 jaar maar intensiever beziggehouden met de gedachte die aan bovenstaand citaat ten grondslag ligt. Dan waren de misverstanden rondom de betekenis en de toepassing van "nachtegaalaccent", die in de voorafgaande paragrafen centraal stonden, misschien niet ontstaan. "Nachtegaalaccent" is namelijk niet gentroduceerd om de waterslagers als nachtegalen te laten zingen noch om de "watertoeren", "staaltonen" en "tjokkenpartij" stiekem op te waarderen maar wel om het slagelement in het lied van de waterslager te versterken.
    Wat is nu dat slagelement in het lied van de waterslager? Ik ben eens op zoek gegaan naar een duidelijke definitie van een geslagen waterslagerlied. Ik heb er geen kunnen vinden. Met andere woorden: Van één van meest wezenlijke raskenmerken van een waterslager, namelijk dat het een "slagvogel" moet zijn, is in de zangtheorie geen omschrijving te vinden. De enige die ooit eens een poging in die richting heeft gewaagd is de heer M. van Woezik. Maar in z'n streven de betekenis van "waterslag" in een definitie vast te leggen is hij maar tot de helft gekomen: hij definieert alleen het begrip "water".3
    Met deze kennis werd me opeens duidelijk waarom rondom het begrip "nachtegaalaccent" zoveel verschillende inzichten en standpunten bestaan. In de zangtheorie en de daarop gebaseerde "standaardeisen" voor de afzonderlijke toeren is men volledig voorbijgegaan aan de noodzaak om een voor iedereen geldende uitspraak te doen over de kenmerken van een geslagen lied. In dit verband wordt wel steeds de zang van de nachtegaal als voorbeeld naar voren geschoven, maar dat heeft alleen maar geleid tot spraakverwarring, zoals we eerder in dit artikel zagen.

    NAAST TOERENWAARDERING OOK TOTAALWAARDERING
    De bron van de misverstanden rondom de rubriek "nachtegaalaccent" gaat dus terug tot de introductie in 1981. De rubriek verscheen op de keurlijst zonder een degelijke theoretische onderbouwing, waarin duidelijk werd omschreven wat het slagelement in het lied van een waterslager zou moeten zijn. Die situatie is nog onveranderd en zolang er niet goed wordt omschreven wat de, toetsbare, kenmerken van een "geslagen lied" zijn zal de spraakverwarring blijven bestaan.4
    Een van de oorzaken van deze omissie in de zangtheorie is mijn inziens de te eenzijdige blik op de afzonderlijke toeren waaruit het lied is opgebouwd. De traditie in Nederland is dat keurmeesters niet het lied als geheel keuren, maar de gezongen waardetoeren beoordelen als afzonderlijke grootheden. Het is daarom ook heel begrijpelijk dat sommigen met het begrip "nachtegaalaccent" niet uit de voeten kunnen zolang het niet tot een vorm van toerenwaardering herleid kan worden.
    De verwaarlozing van de beoordeling van het lied als geheel kan vreemde gevolgen hebben. Jonge mannen kunnen in begin november al een respectabel aantal punten scoren terwijl ze nog volop in studie zijn. De vogels zingen wel bepaalde waardevolle toervormen, maar van een lied, waarin de afzonderlijke toeren zich van losse elementen hebben verweven tot een samenhangend geheel, is nog geen sprake. Maar naar dat aspect van het waterslagerlied wordt conform ons (toerenbeoordelings)keursysteem nauwelijks gekeken. De rubriek "indruk", waarin o.m de totaalindruk van de voordracht tot uitdrukking zou moeten worden gebracht, laat slechts een maximumbeloning van 3 x 3 = 9 punten toe. In de huidige zangtheorie en de wijze waarop die o.m. tijdens de keuring wordt toegepast is het lied als samenhangend geheel van uiterst ondergeschikt belang: Alleen toeren tellen.
    Voor een goede hantering van het begrip "nachtegaalaccent" en het bereiken van de met de introductie van deze rubriek beoogde effecten is het nu juist een voorwaarde dat de waardering van het totale lied een veel belangrijker plaatst krijgt in het beoordelingssysteem. Immers, wanneer we spreken over het slagelement in de zang van de waterslager dan spreken we niet over afzonderlijke toeren maar over een totaaltypering van het lied.

    WATERSLAGERS EN WATERGOLVERS
    Het lijkt me in dit verband dan ook wel verstandig om, al was het alleen maar om de lezer duidelijk te maken wat ik onder een slagvogel versta, een definitie te geven van een geslagen lied.
    Een geslagen lied wordt gekenmerkt door een krachtige uitspraak van de toeren, die, daar waar wenselijk, metalliek klinken en een snelle opeenvolging van de toeren waarbij de indruk wordt gewekt dat de ene toer abrupt in de ander overgaat. De medeklinker "k" wordt, zowel in de toeren waar de medeklinker "k" mede is gewenst als de toeren waarvan de medeklinker "k" een wezenlijk onderdeel vormt, op een duidelijk herkenbare, krachtige, wijze uitgesproken.
    Vogels die een dergelijk, staccato-achtig, lied zingen zijn in mijn ogen raszuivere waterslagers. Alleen zij komen voor "nachtegaalaccent" in aanmerking. De waardering is uiteraard afhankelijk van de mate waarin het lied geslagen is, dus in hoeverre aan de in de definitie vastgelegde criteria wordt voldaan.
    Naast waterslagers die een geslagen lied zingen bestaan er ook waterslagers met een zangstructuur die we ter onderscheid van het geslagen lied "golvend" zullen noemen. Een golvend lied wordt gekenmerkt door toeren die lang worden aangehouden, soms variëren in toonhoogte en waarbij de indruk wordt gewekt dat de ene toer in de ander over vloeit. De medeklinker "k" wordt uitsluitend uitgesproken in de toeren waarvan de medeklinker "k" ook een wezenlijk onderdeel vormt.
    Vogels die een dergelijk lied ten gehore brengen zijn watergolvers en dus geen raszuivere waterslagers.

    INTRODUCTIE NACHTEGAALACCENT IS DOEL VOORBIJGESCHOTEN
    Om de opmars van deze "golvende" waterslagers, eigenlijk dus beter te omschrijven als "watergolvers", te stuiten en het waterslagerlied te beschermen cq. te versterken is de rubriek "nachtegaalaccent" in 1981 geïntroduceerd.
    Op grond van wat ik in de afgelopen 15 jaar zoal aan waterslagers, binnen en met name buiten de eigen vereniging, heb gehoord kan ik tot geen andere conclusie komen dan dat de toenmalige introductie van de rubriek "nachtegaalaccent" aan z'n doel is voorbijgeschoten. Eén van de belangrijkste oorzaken is, mijn inziens, de wijze waarop de keurmeesters de beoordeling van het "nachtegaalaccent" in de praktijk hebben toegepast. In plaats van het totaallied te beoordelen heeft men gemeend deze rubriek te moeten herleiden tot de waardering van een combinatie van afzonderlijke toeren. Achteraf kan geconcludeerd worden dat men in 1981 zich niet voldoende heeft gerealiseerd dat met de invoering van de rubriek "nachtegaalaccent" ook een geheel andere keurmethodiek geïntroduceerd had moeten worden, namelijk ook het keuren van een lied als geheel en niet uitsluitend als som van de afzonderlijke toeren. Het onvoldoende onderkennen van dit "dualisme" en de wijze waarop men vervolgens in de praktijk met het "nachtegaalaccent" is omgesprongen heeft ertoe geleid dat het "spook" waartegen Mevr. v/d Toorn en haar toenmalige medekeurmeesters in voornoemd citaat ten strijde trokken, de golvende waterslager, heden ten dage nog altijd rondwaart.

    BETER TEN HALVE GEKEERD DAN TEN HELE GEDWAALD
    Wat is nu de moraal van bovenstaand verhaal? Het is van het grootste belang dat iedere waterslagerkweker en -keurmeester in Nederland één en dezelfde definitie van "nachtegaalaccent" onderschrijft. Wat mij betreft omschrijven we "nachtegaalaccent" als "het geslagen karakter van het gecultiveerde lied van een waterslager". Een definitie van een "geslagen lied" werd door mij al eerder gegeven.
    De consequentie van de door mij gehanteerde inhoud van de begrippen "nachtegaalaccent" en "geslagen lied" is dat "nachtegaalaccent" in de betekenis van "zingen als een nachtegaal" voorgoed heeft afgedaan. Dus te harde en te hoge vormen van bepaalde toeren worden in het vervolg niet meer met de mantel der liefde bedekt. We streven voortaan naar gecultiveerde zang, niet naar natuurlijke zang!
    Ook "nachtegaalaccent" in de betekenis van "het extra belonen van de toeren "klokkende" en/of "rollende waterslag", "staaltonen", "tjokken" en "tjokkenrol" in het lied van een waterslager" is, wat mij betreft, van de baan. Dus geen watergolvers meer die, omdat ze de vereiste toeren zingen, punten voor "nachtegaalaccent" krijgen. Ik zou niet zo ver willen gaan door watergolvers, als zijnde niet raszuiver, voor de zangwedstrijd van waterslagers uit te sluiten. Wel ben ik van mening dat in een zangwedstrijd een waterslager met een geslagen lied pas het onderspit mag delven tegen een water"slager" met een golvende zangstructuur wanneer er een substantieel verschil in de kwaliteit van de gezongen waardetoeren bestaat.
    Naast het beoordelen van de afzonderlijke toeren van het lied van de waterslager is het daarom van belang dat de huidige rubrieken op de keurlijst aan de hand waarvan de keurmeester een kwalificatie kan geven omtrent het lied als totaal, t.w. "indruk" en "nachtegaalaccent", ook als zodanig in de praktijk worden toegepast. Dit betekent dat beide rubrieken opnieuw gedefinieerd en op termijn misschien zelfs gerevalueerd moeten worden ten opzichte van het puntentotaal dat aan de afzonderlijke toeren kan worden toegekend.
    Met name een herinterpretatie van de thans bestaande keurpraktijk met betrekking tot de rubrieken "indruk" en "nachtegaalaccent" is op korte termijn zeer gewenst. Zo zou een keurmeester in de rubriek "indruk", waarin hij, tot een maximum van 3 x 3 = 9 punten, een waardering mag geven voor de mate waarin de waterslager de verschillende onderdelen in goed voorgeschreven ritme, met goede verbindingen, zonder storende fouten heeft gezongen en tot een samenhangend lied heeft gemaakt, alleen punten mogen toekennen aan vogels met een geslagen zangstructuur. Op grond van de thans geldende zangtheorie is het heel goed te beargumenteren dat waterslagers met een golvende voordracht, als zijnde niet volkomen raszuiver, van punten voor "indruk" worden uitgesloten.
    Ten aanzien van de waardering voor "nachtegaalaccent", met op dit moment een maximale waardering van eveneens 3 x 3 = 9 punten, zou een zelfde uitsluitingsclausule kunnen worden toegepast. Punten voor "nachtegaalaccent" worden verstrekt al naar gelang het lied een geslagen karakter heeft. Welke toeren gezongen zijn is hierbij dus niet van belang! In theorie betekenen beide accentverschuivingen al grote verschillen in de eindtotalen tussen de waterslager met een "geslagen" en die met een "golvende" voordracht. Een water"golver" moet alleen al als gevolg van het missen van de punten in de rubrieken "indruk" en "nachtegaalaccent" maximaal 18 punten op de waterslager met een geslagen lied toegeven. In de praktijk zal dat betekenen dat, bij gelijke waardering voor de afzonderlijke toeren met bijvoorbeeld een totaal van 3 x 43 = 129 punten, de vogel met het geslagen lied in totaal nog ± 3 x 4 = ± 12 punten voor "indruk" en "nachtegaalaccent" erbij kan krijgen en daarmee ruim voor z'n "golvende" soortgenoot eindigt.

    SLOT
    In 1981 werd met de introductie van de rubriek "nachtegaalaccent" op de keurlijst een loffelijke poging ondernomen het ras waterslager te rehabiliteren. Een grondige evaluatie zal moeten uitwijzen of dit initiatief tot de gewenste resultaten heeft geleid. Enige bedenkingen met betrekking tot het effect van de introductie van de rubriek en met name de toepassing daarvan in de praktijk zijn, mijn inziens, gerechtvaardigd. In bovenstaande heb ik geprobeerd deze bedenkingen te verwoorden en daarmee tevens gepoogd een discussie over dit onderwerp aan te zwengelen. Ik hoop dan ook dat de diverse zang-studieclubs, die de N.B.v.V. rijk is, dit onderwerp zullen oppikken voor nadere bestudering en dat het keurmeesterskorps analyseert, voor zover men dat al niet heeft gedaan, in hoeverre de in 1981 ingeslagen weg daadwerkelijk geleid heeft tot het gewenste effect. Behalve dat er zeker eerst veel gediscussieerd zal worden zijn uiteindelijk, mijn inziens, maatregelen onvermijdelijk. Enige suggesties hieromtrent heb ik in bovenstaande naar voren gebracht.
    december 1996

    1. N.N., Het lied van de waterslager, p. 21. In: Handleiding voor de opleiding tot zangkanariekeurmeester, zj. Uitgave N.B.v.V.
    2. Mevr. C. v/d Toorn, Zangkwekers, let op! In: "Onze Vogels", Jaargang 1981, p. 306.
    3. M. van Woezik, Waterslager en harzer; houden, kweken, keuren. z.j. p. 34.
    4. N.N., Het lied van de waterslager, o.c. p.m. Hoe marginaal de theoretische onderbouwing wel niet is blijkt wel uit het volgende: Bij de zeer uitgebreide omschrijving van de afzonderlijke toeren\rubrieken op de keurlijst wordt van de rubriek "nachtegaalaccent" slechts het bestaan vermeld! Alleen in een "bijlage", waarin de noodzaak van de in 1981 doorgevoerde wijzigingen worden beargumenteerd, zijn welgeteld drie zinnen aan de introductie van de rubriek "nachtegaalaccent" gewijd. In dit fragment wordt "nachtegaalaccent" herleid tot het zingen van waterslag, staaltonen en tjokkenpartij, omdat deze toeren het slagelement in het lied zouden bepalen.

    [ boven ] [ terug ]


    2: DIE VERMALEDIJDE TJONKEN.

    door Jaap Plokker

    (Dit artikel verscheen eerder in het clubblad van De Kanarievogel, jaargang 1998, nr. 2, pp. 36-39 en in ‘Onze Vogels’, orgaan van de NBvV, jaargang 1998, p. 249)

    ZE ZIJN ER WEER
    Horen jullie ze de laatste tijd ook weer? We moeten zo'n 35 jaar terug in de tijd om van de heer M. van Woezik voor de eerste maal te vernemen dat je deze toer weliswaar zelden hoort, "maar ze de laatste jaren weer tevoorschijn komen". Daar bleef het niet bij. In het begin van de jaren '80 constateerden ook de leden van de Technische Commissie Zang van de N.B.v.V. een "revival" en als we de heer H.K. van der Wal in z'n vorig jaar verschenen, en in "Onze Vogels" luid bejubelde, standaardwerk "Kanaries" op z'n woord mogen geloven heeft ook hij geconstateerd dat ze de laatste jaren weer te beluisteren zijn. Welke toer is nu al enkele decennia bezig tevoorschijn te komen om het waterslagerlied te verrijken? Ik heb het natuurlijk over de tjonken.1

    VERSTOPPERTJE SPELEN
    Als ik zo lees wat er in de meest recente waterslagerliteratuur is geschreven over de tjonken dan bekruipt me hetzelfde gevoel dat ik had als kind toen bij het verstoppertje spelen ik "'em was", op één na, iedereen gevonden en afgebuut had, maar die ene, die de hele meute weer kon verlossen, niet kon vinden, terwijl iedereen wist waar hij zat. De tjonken verstoppen zich voor mij. Ik hoor ze namelijk "de laatste tijd" juist niet. Nog sterker: Ik heb ze zelfs nog nooit in het waterslagerlied mogen beluisteren.
    Heb ik gewoon domme pech dat ik nog geen tjonken zingende waterslager heb kunnen betrappen terwijl anderen ze tegenwoordig weer tevoorschijn zien komen of zijn er meer waterslagerkwekers waarvoor de tjonken zich verstoppen? Sedert 1985 schrijf ik vogels in voor de clubkampioenschappen van de Studieclub Zang voor Noord Holland Zuid Holland en Utrecht. Als de tjonken de laatste tijd weer tevoorschijn komen zullen ze daar toch wel eens een keer gesignaleerd zijn? Een schier eindeloze rij van 4557 keurlijsten heb ik doorgenomen en zelfs niet één vogel gevonden in wiens lied de keurmeester tjonken heeft kunnen beluisteren. Ik zal het nog sterker vertellen: Al bijna 25 jaar begeef ik mij tussen fokkers van waterslagers, maar ik heb op m'n speurtocht nog geen enkele kweker ontmoet die ooit wel waterslagers tjonken heeft horen zingen.
    Langzamerhand bekruipt me de twijfel of er anno 1998 überhaupt wel vogelliefhebbers in Nederland rondlopen die ooit in het lied van een waterslager tjonken hebben mogen beluisteren.

    HET RAADSEL VAN DE TJONKEN
    Wat zijn die tjonken toch voor een raadselachtige toer. De Belg B. Peleman schijnt ze ook gehoord te hebben, maar dan spreken we wel over het begin van deze eeuw. In het tijdschrift "Onze Gevleugelde Zangers", orgaan van de Algemeene Nederlandsche Bond voor Kanarieteelt en Vogelbescherming schreef deze pleitbezorger van de waterslagerkweek in de "Noordelijke Nederlanden" in de jaren '20 een serie artikelen over het waterslagerlied. Over de tjonken lezen we: "Is het aanvangselement tj, de grondtoon oe, of o en de slotletter ng of nk dan heeft men de zuivere tjonken. Tjonken zijn dus een meer waardiger vorm van staaltonen. Men hoort tegenwoordig nog zelden tjonken. Deze zijn echter een sieraad van het waterslagerlied en zetten het gezang onzer vogels een rijkdom, een voornaamheid bij, die alle kweekers zorgvuldig en voortdurend dienen na te streven en door doelmatig kruisen en door vakkundig aanleeren." Op de keurlijst die in de jaren '20 in België werd gehanteerd stonden de staaltonen en tjonken als afzonderlijke rubrieken vermeld.2
    De heer Peleman constateerde in de jaren '20 al dat de tjonken nagenoeg verdwenen waren. Toen in het begin van de jaren '50 Jan Breemer in een tweetal artikelen in "Onze Vogels" het waterslagerlied beschreef repte hij al met geen woord meer over "tjonken". Tien jaar later schreef de heer P. Spitters opnieuw hoe zeldzaam de tjonken zijn en dat hij ze alleen had gehoord bij vogels met een ruwe voordracht.3

    WEGGECULTIVEERD
    Alles overziende krijg ik de indruk dat de tjonken verbonden moeten worden met de structuur van het waterslagerlied zoals dat in het begin van deze eeuw gezongen werd. Ik baseer me opnieuw op B. Peleman wanneer ik het vermoeden uitspreek dat de toenmalige waterslagerzang veel minder gecultiveerd en dus veel "natuurlijker" was. Met de heer P. Spitters veronderstel ik dat als gevolg van het "cultiveringsproces", dat zich gedurende de 20e eeuw met betrekking tot het lied van de waterslager heeft voltrokken, de tjonken, wellicht onbedoeld, ook zijn "weggesaneerd". Ik kan op grond van hetgeen ik gelezen en gehoord heb tot geen andere conclusie komen dan dat in het moderne waterslagerlied de tjonken zijn "uitgestorven". Als een, blijvende?, herinnering aan lang vervlogen tijden en al lang niet meer bestaande, ja zelfs gewenste?, waterslagerzang siert de rubriek nog de keurlijst. De tjonken zijn, mijn inziens, overigens niet het enige anachronisme op de keurlijst voor de waterslagers, maar dit even terzijde.
    Wat nu te doen met het gegeven dat tot op de dag van vandaag in de literatuur de tjonken ons worden gepresenteerd als een toer die "de laatste jaren weer tevoorschijn komt"? Schrijvers zouden misschien wat minder kritiekloos moeten overnemen wat anderen vóór hen hebben opgeschreven. Ze kunnen immers hiermee lezers op het verkeerde spoor zetten en het kan afbreuk doen aan hun eigen geloofwaardigheid.

    LITERATUUR

    1. M. van Woezik, Waterslagers en harzers, houden, kweken en keuren. Zj., p. 42. Handleiding voor de opleiding tot zangkanariekeurmeester. Uitgave NBvV. zj. Deel Waterslagers, p. 9. Wal, H.K. van der, Kanaries, handboek voor het houden en kweken van zang-, kleur- en postuurkanaries. Baarn, 1997. p. 46.
    2. B. Peleman, Keuren van den zang der Belgische Waterslagers. In: "Onze Gevleugelde Zangers" , orgaan van de Algemeene Nederlandsche Bond voor Kanarieteelt en Vogelbescherming, november - mei 1929. Ik heb het citaat ontleend aan een in 1987 door de Studieclub Zang NZHU uitgegeven transcriptie van de in 1931 door G.J. Kluinhaar overgeschreven tekst. De arcering is van mij.
    3. Breemer, J., Het lied van de waterslager. In: "Onze Vogels", jaargang 1954, pp. 4-7. Spitters, P., Oorsprong en zang van de waterslager. In: "Onze Vogels", jaargang 1963, pp. 235-236.
    maart 1998
    [ boven ] [ terug ]


    3: ANACHRONISMEN.

    door Jaap Plokker

    (Dit artikel verscheen eerder in het clubblad van De Kanarievogel, jaargang 1999, nr. 1, pp. 47-52 en in ‘Onze Vogels’, orgaan van de NBvV, jaargang 1998, pp. 524-525)

    Uitgestorven toeren?
    Bijna een kwart eeuw houd ik me inmiddels bezig met het kweken van waterslagers. Gedurende die jaren heb ik heel wat keurbriefjes onder ogen gehad. Tot op heden heb ik op keurlijsten, van zowel mijn vogels als die van anderen, nog nooit een waardering kunnen ontdekken voor de volgende toeren: tjonken, soeten, woeten en schokkel. Ik stel me dan ook hardop de vraag of tegenwoordig deze toeren überhaupt nog wel in het lied van de waterslager voorkomen. Als inderdaad blijkt dat ze zijn "uitgestorven" wordt het dan geen tijd om de zangtheorie en de daarop gebaseerde keurlijst aan de realiteit aan te passen?

    Veranderingen door doelgericht fokken
    Vogelrassen waarmee doelgericht gefokt wordt ontwikkelen zich naar de door de kwekers gewenste verschijningsvorm. Sedert het begin van de jaren '80 ben ik ook een enthousiast kweker van, eerst donkerbruine, nu zwartbruine, japanse meeuwen. Als ik mijn topvogels van toen nu nog voor een tentoonstelling zou kunnen inschrijven heb ik de grootste twijfels of ze boven 85 punten zullen uitkomen.
    Zangkanaries veranderen ook, wellicht niet zo snel als andere standaardvogels, maar er is zeker sprake van een ontwikkeling in het lied. Wie eens de moeite neemt zich te verdiepen in de pennenvruchten van de Belgische keurmeester B. Peleman krijgt al lezende de indruk dat hij in de jaren '20 naar totaal andere waterslagerzang luisterde dan wij nu doen. Dhr. Peleman constateerde op basis van eigen waarnemingen overigens al verschillen tussen het lied van de Belgische waterslager tijdens de jaren '20 en in het begin van deze eeuw.1

    De beginjaren
    Terwijl in België de kweek met waterslagers zich in een behoorlijke populariteit mocht verheugen stond de belangstelling voor de waterslagerzang in Nederland tot ver in de jaren '20 op een zeer laag pitje. Bladerend door, uit 1915 en 1916 daterende, afleveringen van "De Kanarie", orgaan van de in 1910 opgerichte "Nederlandsche Bond van Kanarieliefhebbers en Vogelvrienden" struikel je over de advertenties waarin Saksische, Truthe en vooral Seifert zangkanaries werden aangeboden. Tussen al dit "harzer-geweld" vond ik één annonce waarin Jan v/d Hammen uit Schiedam "Origineele Belgische waterslagers" te koop aanbood. Ze waren "bijna geheel geel" en te koop voor 4 gulden - 6 gulden per stuk.
    Dat de serieuze kweek met waterslagers in Nederland van relatief vrij recente datum is kan duidelijk geïllustreerd worden met de volgende feiten: In 1926 was de heer Zandvliet de eerste keurmeester die waterslagers op punten kon beoordelen; op het eind van de jaren '20 zond de Antwerpse kweker Mechels, om propaganda te maken voor de waterslagerkweek, een 8-tal waterslagers in voor een tentoonstelling in Den Haag. Voor de Haagse zangkanariekwekers was het hun eerste kennismaking met de waterslagerzang. Voor zowel het betrekken van vogels als het verkrijgen van de zangtheoretische kennis waren de eerste Nederlandse waterslagerkwekers volledig van de Belgen afhankelijk. Geschriften van Belgische kwekers en keurmeesters geven ons daarom niet alleen inzicht in de opvattingen van onze zuiderburen maar vormen tevens het fundament van onze huidige zangtheorie.2

    Een keuze met verstrekkende gevolgen
    Op het eind van de jaren '20/beginjaren '30 waren in Nederland nog maar een beperkt aantal kwekers door de zang van de waterslager gegrepen. Omdat zij nauwelijks contact met elkaar hadden vond er nagenoeg geen uitwisseling plaats van kweekmateriaal en zang(theoretische) kennis. Dit had tot gevolg dat voor de Tweede Wereldoorlog in het waterslagerlied verschillende, regionaal gebonden?, zangstructuren voorkwamen. In afwijking van de in België gangbare opvattingen ontstond er in de kring van Haagse waterslagerkwekers een voorliefde voor door nachtegaaltoeren gedomineerde waterslagerzang. In een artikel in "Onze Vogels" verhaalt de heer M. van Woezik over hoe de opvattingen van de Hagenaars, op instigatie van dhr. Gerrits en hemzelf, door anderen werden overgenomen en men door doelbewust te keuren het "geslagen" waterslagerlied, met succes, heeft gestimuleerd.
    Over de naoorlogse periode concludeerde van Woezik in 1970 dan ook dat "de liefhebberij voor waterslagers zich tot nu toe in opgaande lijn heeft ontwikkeld en wat hoofdzaak is, de vogels nog steeds mooier van zang worden. Wij horen op onze keuringen steeds minder de hoge en scherpe tonen die vroeger aanleiding konden zijn dat sommige zangliefhebbers de waterslager, ondanks zijn mooie toeren, niet konden accepteren".3

    Veranderingen in de zangtheorie
    Opvattingen over hoe de ideale waterslager behoort te zingen worden sedert de eerste decennia van deze eeuw vastgelegd in de zangtheorie. Het keurbriefje zou men kunnen beschouwen als de zangtheorie in een notendop. Kijken we naar de keurlijst zoals die in de jaren '20 in België werd gehanteerd dan ontdekken we tussen waardetoeren die wij ook vandaag de dag nog kennen o.m. de rubrieken "gloeken", "lachtoer" en "heulrol". Deze zijn inmiddels van de keurlijst verdwenen. Wel kan ik me nog herinneren dat ik medio de jaren '70 wel eens als bemerking "heulrol" op een keurbriefje kreeg. Deze toer, waarover dhr. Peleman in de jaren '20 nog lyrisch kon schrijven, was inmiddels ondergebracht in de categorie "harzer-toeren" en daardoor verworden tot een ongewenst element in het waterslagerlied. Bredero zei het al eeuwen geleden: "Het kan verkeren".4
    De laatste, ingrijpende, wijziging van het, Nederlandse, keurbriefje dateert van 1981 toen men, om het geslagen waterslagerlied te stimuleren, rubrieken heeft toegevoegd, gesplitst en de bewaardiging heeft veranderd.5

    Ontwikkelingen in de waterslagerzang
    Het wordt langzamerhand tijd om de voorafgaande historische schetsen te plaatsen in hun onderlinge samenhang. Op basis van de door mij gelezen literatuur over waterslagers kom ik tot de conclusie dat in Nederland twee processen ten grondslag liggen aan de veranderingen in het lied van de waterslager gedurende de periode 1930 tot heden:

    • Het streven naar een geslagen zangstructuur;
    • Het streven naar een gecultiveerd lied waaruit hoge, spitse, scherpe, schelle, onzuivere toervormen zoveel mogelijk zijn geëlimineerd.
    Het enerzijds stimuleren en het anderzijds elimineren van bepaalde doelbewust gekozen elementen hebben, mijn inziens, ook, wellicht onbedoelde, neveneffecten gehad, die, achteraf bezien, in niet geringe mate de huidige waterslagerzang mede hebben bepaald. Het scala aan toeren, dat zo typerend was voor het lied van de waterslager aan het begin van deze eeuw, is door genoemde processen onmiskenbaar verkleind. We zagen eerder dat in de loop van deze eeuw, ter versterking van het geslagen karakter, welbewust, teveel aan het harzerlied gerelateerde toeren uit de waterslagerzang zijn "gefokt". In een vorig artikel in "Onze Vogels" heb ik geprobeerd aan te tonen dat als gevolg van het cultiveringsproces de tjonken uit het lied van de waterslager zijn verdwenen.
    Ik veronderstel daarom dat beide voornoemde processen ook hebben geleid tot het verdwijnen van de soeten, de woeten en de schokkel uit het lied van de huidige waterslager. Bij een verdere nadruk op de geslagen zangstructuur is het niet ondenkbaar dat op termijn wellicht ook de bollende waterslag niet meer door "Hollandse waterslagers" gezongen zal worden. Dit is kennelijk de "prijs" geweest die we hebben moeten betalen voor de waterslagerzang zoals die tegenwoordig in Nederland in de keurkamers klinkt.6

    Conclusie
    Bovenstaande is geenszins een pleidooi om te streven naar waterslagerzang zoals die aan het begin van deze eeuw klonk. Het is wel een constatering die, mijn inziens, niet zonder gevolgen kan blijven voor de omschrijving van wat de huidige generatie waterslagerkwekers als het ideale lied van de waterslager beschouwt. Waarom nog steeds in de zangtheorie uitvoerig beschrijven hoe tjonken, woeten, soeten en schokkel moeten klinken terwijl deze toeren, gezien hun "verdwijning" kennelijk als onvoldoende essentieel voor het waterslagerlied beschouwd werden cq. worden en "opgeofferd" zijn ten gunste van meer gewenste ontwikkelingen in de waterslagerzang? Waarom nog altijd deze rubrieken vermelden op de keurlijst, terwijl iedereen weet dat er in Nederland nooit waarderingen voor deze toeren opgeschreven zullen worden?
    De waterslager zingt in 1998 een ander lied dan hij in 1930 zong en dat verschilde weer van de waterslagerzang anno 1900. Dit is het logische gevolg van het doelgerichte fokken. De zangtheorie is de afgelopen eeuw steeds aan veranderende inzichten aangepast. Hetzelfde gebeurde met het keurbriefje. Is de komende eeuwwisseling geen goed moment om de zangtheorie zoals die op dit moment geformuleerd is eens aan een kritische blik te onderwerpen?

    Literatuur

    1. Peleman, P., Keuren van den zang der Belgische Waterslagers. In: "Onze Gevleugelde Zangers", orgaan van de Algemeene Nederlandsche Bond voor Kanarieteelt en Vogelbescherming, november - mei 1929, passim. Ik heb het citaat ontleend aan een in 1987 door de Studieclub Zang NZHU uitgegeven transcriptie van de in 1931door G.J. Kluinhaar overgeschreven tekst.
    2. Woezik, M. van, Een stukje geschiedenis van de waterslager. In: "Onze Vogels", jrg. 1970, p. 350.
    3. Woezik, M. van, o.c., pp. 350-351.
    4. Peleman, P., o.c., passim.
    5. Handleiding voor de opleiding tot zangkanariekeurmeester. Uitgave NBvV, zj. Deel "Waterslagers", p. 21-23.
    6. Plokker, J., Die vermaledijde tjonken. In: "Onze Vogels", jrg. 1998, p. 249. De heer H. Warmerdam veronderstelt dat veel toeren zijn verdwenen omdat bij fokkers de angst bestond dat deze toeren de waterslag in hun vogels zou schaden. Warmerdam, H., Waterslager. In : Onze Vogels, jrg. 1981, p. 535.
    [ boven ] [ terug ]


    4: GEWIKT EN GEWOGEN.

    door Jaap Plokker

    (Dit artikel verscheen eerder in het clubblad van De Kanarievogel, jaargang 1999, nr. 1, pp. 54-58 en in ‘Onze Vogels’, orgaan van de NBvV, jaargang 1999, pp. 12-13)
    grafiek ontbreekt nog.

    Overgewaardeerd?
    Over smaak en kleur valt niet te twisten. Maar toch.
    Men zou eens voor de aardigheid de proef op de som moeten nemen door tijdens een bijeenkomst van zangkanariekwekers een enquête te houden over wat nu onder fokkers de favoriete toeren in het waterslagerlied zijn. Ik acht de kans zeer klein dat uit dit "onderzoek" zou blijken dat de grootste voorkeur uitgaat naar de belrol. Toch is in het huidige keursysteem de belrol gelijkwaardig aan de fluiten, staaltonen en tjokken; om maar enkele specifieke waterslagertoeren te noemen.
    Dat niet iedereen de belrol gelijkwaardig acht aan de overige toeren van het binnenlied maakt het volgende citaat duidelijk: "Evenals de bel is ook de belrol een toer die zeer gemakkelijk ontaardt in een foutieve toer. Ook een teveel aan belrollen kan het klankbeeld van het lied schaden. (..) Het is zaak dat de kweker de foutieve belrollen weert in zijn stam, om het lied van de waterslager, ook voor de liefhebber met ontwikkeld muzikaal gevoel, acceptabel te doen blijven. Gezien voorgaande beschrijving van de belrol is het een raadsel waarom ook deze toer in ons huidige keursysteem met 6 punten kan worden bewaardigd. (Arcering van mij. J.P.) Nimmer heeft men een belrol gehoord die qua muzikale waarde in verhouding tot andere toeren met 4 of 5 punten zou moeten worden beloond. Ook hier kan gesteld worden dat de juiste verhouding uit het oog verloren is". Niet alleen voor de Technische Commissie Zang van de N.B.v.V., zoals uit bovenstaand citaat blijkt, is het een raadsel dat de bellenpartij met maximaal 12 punten gewaardeerd kan worden; ondergetekende schaart zich graag aan haar zijde.1
    Toen M. van Woezik in gelijke bewoordingen aangaf dat naar zijn mening de combinatie van bellen en belrol in ons keursysteem was overgewaardeerd kon de tjokkenpartij slechts met maximaal 6 punten gewaardeerd worden. Deze situatie is in Nederland met de keurlijstwijziging van 1981, mijn inziens terecht, gecorrigeerd. Blijft de vraag waarom destijds een herwaardering van de bellenpartij, waar kennelijk toch ook een brede en invloedrijke steun voor was, niet is gerealiseerd.2
    Het is niet terecht uitsluitend in negatieve zin over de bellenpartij te spreken. Ik heb in de loop der jaren menig waterslager gehoord die schitterende bellen zong, waardoor het lied onmiskenbaar een hogere muzikale waarde kreeg. De belrol daarentegen is veel minder sprekend en ik heb me er tot op heden niet op kunnen betrappen dat ik het als een groot gemis heb ervaren wanneer er geen belrol werd gezongen. Zetten we de waarde van de bellenpartij voor het totale waterslagerlied af tegen dat van de overige toeren van het binnenlied is het dan wellicht niet te overwegen, alsnog, het maximaal te behalen aantal punten voor bellen (belrol), in gecombineerde vorm, van 12 naar 6 punten te verlagen? Wat in 1981 met de tjokkenpartij kon moet, in omgekeerde richting, toch ook met de bellenpartij kunnen? Over kleur en smaak valt niet te twisten; of toch?

    Ondergewaardeerd?
    Hoe hoog zou de klokkende waterslag scoren op de populariteitsladder? In mijn prognose zit er toch minstens wel een medailleplaats in. Dat mag ook wel, want volgens ons keursysteem is de klokkende waterslag de hoofdtoer bij uitstek. Voor velen, en ondergetekende schaart zich daartussen, is een diep, geslagen, "klok" de parel in het waterslagerlied.
    Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat sedert de invoering van het huidige keursysteem, in 1981, het belang van een goede klokkende waterslag voor het uiteindelijk te behalen aantal punten is afgenomen. Aan de hand van de resultaten tijdens de zangwedstrijden van de "Studieclub Zang NZHU" heb ik getracht meer inzicht te krijgen in de vraag in hoeverre waterslagers met een dusdanige eindscore dat men ze terecht zou kunnen kwalificeren als "topvogels" ook beschikken over een zeer goede klokkende waterslag. Omdat voor de wedstrijd van de "Studieclub" zo'n 30-40 van de meest vooraanstaande waterslagerkwekers uit West Nederland vogels inzenden lijken de resultaten me representatief genoeg om conclusies aan te kunnen verbinden. In het bijzonder is gekeken naar de waterslagers met een eindtotaal van 130 of meer punten en vogels die voor de klokkende waterslag 8 of meer punten scoorden.3
    Op basis van de in grafiek 1 aangegeven percentages van het totaal aantal ingezonden waterslagers kunnen voor de periode 1986 - 1998 de volgende conclusies getrokken worden: De algehele kwaliteit van het waterslagerlied nam tot 1995 toe. Sedertdien is sprake van een, tijdelijke?, kwaliteitsdaling. Na een aanvankelijke stijging in de loop van de jaren '80 daalt het aantal vogels met een waardering voor de klokkende waterslag van 8 of hoger vanaf 1991 onmiskenbaar. De kwaliteitsdaling van de klok vinden we ook terug bij de betere waterslagers; de "top" van de waterslagers beschikt naarmate de jaren '90 vorderen steeds minder over een "klok" die als "zeer goed" of bijna "zeer goed" te beoordelen valt. Met name de laatste ontwikkeling is voor het vervolg van dit betoog van essentieel belang.4
    Op dit moment is voor het behalen van klinkende resultaten op zangwedstrijden de kwaliteit van het binnenlied naar verhouding van groter importantie dan de kwaliteit van de klokkende waterslag. Het is voor een kweker derhalve veel lucratiever zich te concentreren op het fokken van een stam met een compleet en goed binnenlied dan op verbetering van de klokkende waterslag. Mijn veronderstelling is dat hier de oorzaak ligt van het feit dat een keurmeester nog maar zelden, althans in West Nederland, een "klok" als "zeer goed" kan beoordelen. Is dit een terechte, gewenste, ontwikkeling of zijn in de loop der jaren de verhoudingen (te) scheef gegroeid? Degenen die de "klok" bovenaan het favorietenlijstje hebben geplaatst zullen van de hierboven geschetste situatie zeker niet vrolijk worden. Zij zouden de oorzaak kunnen zoeken bij het in 1981 geïntroduceerde keurbriefje.
    Misschien dat een opwaardering van de "klok" naar maximaal 15 punten het belang van deze hoofdtoer voor het totale lied kan opvijzelen. Wellicht dat er dan tijdens de studiedag van de "Studieclub" weer van "zeer goede" "klokken" genoten kan worden. We fokken tenslotte waterslagers, of niet soms?

    Literatuur

    1. Handleiding voor de opleiding tot zangkanariekeurmeester. Uitgave N.B.v.V., zj. Deel Waterslagers, p. 14.
    2. M. van Woezik, Waterslagers en harzers, houden, kweken en keuren. Zj., p. 47-48.
    3. Catalogi van de te Hillegom (1985-1996) en te Katwijk (1997-1998) gehouden zangwedstrijden van de "Studieclub (Speciaalclub) Zang, Noord en Zuid Holland, Utrecht e.o." Hoewel een klokkende waterslag met de kwalificatie "zeer goed" gewaardeerd moet worden met 9 punten of hoger heb ik gemeend ook de vogels erbij te moeten betrekken die voor de klok een "8" ontvingen. Van de 3827 waterslagers die gedurende de periode 1985-1998 op wedstrijden van de studieclub een klokkende waterslag zongen werden er 29 gewaardeerd met een "9" en 4 met een "10".
    4. De eerste wedstrijd van de studieclub werd gehouden in december 1985. De resultaten hiervan zijn, mijn inziens, niet representatief en door mij buiten beschouwing gelaten: Eén vogel behaalde een eindtotaal van meer dan 130 pnt. en had voor de klok "8" pnt. gescoord.
    [ boven ] [ terug ]


    5: BOLLENDE WATERSLAG: EEN ZANGTOER IN DE SCHEMERZONE.

    door Jaap Plokker

    (Dit artikel verscheen eerder in het clubblad van De Kanarievogel, jaargang 1999, nr. 2, pp. 40-45 en in ‘Onze Vogels’, orgaan van de NBvV, jaargang 1999, pp. 470-471)

    Een controversieel onderwerp
    Het moet maar gelijk gezegd worden: Ik begeef me op glad ijs. De bollende waterslag is in kringen van waterslagerkwekers een controversieel thema. Daarom is het wellicht de verstandigste weg om met een grote boog om dit onderwerp heen te lopen, maar dat is niet mijn stijl. Immers, zonder stellingname geen discussie, zonder discussie geen ontwikkeling en met stilstand is onze liefhebberij niet gebaat. Dus daarom de koe toch maar bij de horens gevat.

    Toervormen in de schemerzone
    Laat ik beginnen met een praktijkervaring. Op zondag 24 januari 1999 kreeg ik de keurlijsten onder ogen van mijn stam waterslagers die ik voor Vogel '99 had ingezonden. In de rubriek klokkende waterslag had de keurmeester een streep gezet en achter rollende waterslag 8 punten.
    De geschiedenis van deze vogels was me uiteraard bekend. Medio november was ik niet ontevreden over de toenmalige vorm van hun klokkende waterslag; ik had hem wel eens "droger" gehad. Tijdens de afdelingstentoonstelling, begin december, waardeerde de keurmeester de "klok" met 7 punten. Met het verder op zang komen werden de vogels echter sneller en de slagen waaruit de "klok" was opgebouwd volgden elkaar in steeds hoger tempo op. Ten tijde van de Bondsshow was, naar het oordeel van de keurmeester, die de achtergrond van mijn vogels natuurlijk niet kende, de klokkende waterslag rollende waterslag geworden. Op de betreffende keurlijsten stond ook achter tjokken een streep, terwijl de tjokkenrol bewaardigd was met 4-5.
    Misschien heeft hij nog in dubio gezeten: Is het nu "klok" of "rol", tjokken of tjokkenrol?
    Bovenstaande is een voor zangkwekers heel herkenbare situatie: een waterslager met een lied waarin het ritme van de elkaar opeenvolgende toongrepen zo hoog is dat de toervorm zich bevindt in het schemergebied tussen de ene en de andere ideaalvorm. De, mijn inziens terechte, regel is dat we de toervorm in de schemerzone geen afzonderlijke benaming geven. Er moet gekozen worden voor tjokken óf tjokkenrol, we kennen immers geen "tjokkenschokker"; voor "klok" óf "rol", we kennen immers geen ........, of toch wel?

    Stelling
    Ik heb de stellige indruk dat de bollende waterslag een uitzondering is op voornoemde regel. Het is een toervorm in de schemerzone tussen "klok" en "rol", die op papier een eigen identiteit heeft gekregen, maar in de praktijk niet voor iedereen even duidelijk herkenbaar is. Dit is, mijn inziens, ook de wezenlijke achtergrond waarom een waardering voor bollende waterslag altijd weer reacties oproept. Het is een toer zonder een eigen specifiek karakter. Het is louter en alleen een kwestie van, uiterst subjectieve, ritme-interpretatie. Eigenlijk is er maar één juiste beslissing: Het verwijderen van de rubriek bollende waterslag van de keurlijst.

    Identieke toervormen
    Het vertrekpunt voor het vervolg van dit betoog is de zangtheorie. Wat zegt die ons over "klok", "bol" en "rol"? Tot op de dag van vandaag moeten we ons in de beschrijving van zangtoeren behelpen met taal en dus met een fonetische beschrijving van klanken. Bij gebrek aan beter zal ik me dus in onderstaande ook daarvan moeten bedienen.
    De klokkende waterslag kan in diverse vormen op een "zeer goede" wijze worden gezongen. In dit verband is alleen de vorm interessant met de medeklinker "bl" gevolgd door de grondtoon "o", "oe" of "oei". De bollende waterslag moet gezongen worden met onder meer de medeklinker "bl" en de klinkers "o" of "oe". Ook bij de rollende waterslag onderscheiden we diverse variaties waaronder de vorm met de medeklinkers "bl" en de klinkers "o" en "oe".1
    Wanneer de toongrepen worden gezongen met de medeklinker "bl" en de grondtoon "o" of "oe" bestaat er, fonetisch gezien, geen verschil tussen de drie watertoeren "klok", "bol" en "rol".

    Secundaire kenmerken
    Om bij watertoeren die met "bl" worden ingezet een wezenlijk onderscheid te kunnen maken tussen de drie hoofdtoeren moeten we gebruik maken van de secundaire kenmerken. In de zangtheorie worden er enkele genoemd. Als een secundair kenmerk van de "klok" noemt M. van Woezik het zogenaamde "tongenspel". Helaas legt hij niet uit wat hiermee bedoeld wordt. Ik heb het altijd geïnterpreteerd als de buiging van de tong waardoor de "l"-klank mogelijk wordt. Deze "l"-klank is essentieel voor het watereffect. Hoe zwakker de "l"-klank, des te droger de watertoer. Bij mijn interpretatie van het begrip "tongenspel" is deze niet kenmerkend voor de "klok" maar voor alle watertoeren. Dat bij de klokkende waterslag het tongenspel beter tot z'n recht komt is het gevolg van het feit dat het ritme van de "klok" lager is. Het zgn. "tongenspel" is daarom, mijn inziens, geen secundair kenmerk van de "klok" maar een primair kenmerk, het betreft immers de toervorm, van alle vormen van waterslag.
    Als een secundair kenmerk van de bollende waterslag noemt M. van Woezik dat de grondtoon een "bol" karakter heeft, terwijl die bij de "klok" een meer "holle" structuur zou hebben. Ook op deze stelling gaat van Woezik niet dieper in en moeten we gissen naar wat hij eigenlijk bedoelt. Een "klok" die wordt ingezet met "kl" of "gl" krijgt door deze combinatie van medeklinkers, die bij de mensen achter in de keel wordt gevormd, onmiskenbaar een "hol" effect. Zeker als je die vergelijkt met de klok die met "bl" begint en bij mensen voor in de mond wordt gevormd. Ik kan dan ook geheel met van Woezik meegaan wanneer hij bedoelt dat de met een "kl" of "gl" ingezette geslagen vorm van de "klok" een "holle" structuur heeft. De min of meer "geblazen" vorm van klokkende waterslag die met "bl" begint kan onmogelijk als "hol" gekwalificeerd worden. De structuur van bollende waterslag is per definitie "bol" omdat de toer met de medeklinkers "bl" wordt gezongen, maar daarin onderscheid deze toer zich niet van de klok die met "bl" wordt ingezet. De "holle" en "bolle" structuur van waterslag is daarom mijn inziens geen secundair onderscheid tussen bollende en klokkende waterslag maar een kenmerkend verschil tussen geslagen en golvende klokkende waterslag.

    Een kwestie van ritme
    Rest ons nog één secundair onderscheid aan de hand waarvan we het onderscheid tussen "klok", "bol" en "rol" kunnen aangeven: het ritme waarin de toongrepen elkaar opvolgen. Kenmerkend voor de klokkende waterslag is het langzame ritme, het snelle tempo typeert de rollende waterslag. Volgens de zangtheorie beweegt de bollende waterslag zich daar ergens tussen in.
    Terug naar mijn waterslagers op Vogel '99. Als ze de watertoeren hadden ingezet met de medeklinkers "bl", dan zou ik er niet vreemd van hebben opgekeken wanneer de keurmeester de toer als "bol" had bewaardigd: Voor een "klok" was het ritme snel, maar voor rollende waterslag, mijn inziens, te traag. Tijdens de studiedag van de Studieclub Zang NZHU op 30 december 1998 te Katwijk aan Zee konden we enkele waterslagers beluisteren met een mooie "volle", "ronde", of noem het wat mij betreft "bolle" of "geblazen", vorm van rollende waterslag, dus ingezet met "bl". De volgende opmerking werd geplaatst: Deze "rol" neigt naar "bol". Duidelijker kan het niet gezegd worden. Het onderscheid tussen "klok", "bol" en "rol" is een kwestie van ritme, niet meer en niet minder. In de zangtheorie ontbreken echter objectieve criteria die het kenmerkende ritmeverschil tussen "klok", "bol" en "rol" aangeven. Door dit manco in de zangtheorie worden keurmeesters voor de welhaast onmogelijke opgave gesteld om bij watertoeren die met "bl" worden ingezet zelf min of meer objectieve ritmegrenzen te bepalen tussen "klok", "bol" en "rol".
    Bovenstaande leidt tot de volgende conclusie: De bollende waterslag, zoals die op dit moment in de zangtheorie is omschreven, is een non-toer. Niet meer en niet minder dan een tempovariatie in vormen van klokkende en rollende waterslag die met de medeklinkers "bl" worden ingezet. Omdat we in de schemerzone tussen de tjokken en de tjokkenrol ook geen "tjokkenschokker" onderscheiden moeten we consequent blijven en de bollende waterslag uit de zangtheorie en dus ook van de keurlijst verwijderen.

    Een veronderstelling
    De beschrijving van de klokkende en bollende waterslag in de zangtheorie is niet rechtlijnig en daarom verwarrend. Logisch zou zijn geweest wanneer de "kl"okkende waterslag wordt ingezet met "kl" en "gl" en de "b"o"ll"ende waterslag met "bl". Het feit dat de "klok" ook met "bl" kan worden ingezet is, mijn inziens, de bron van veel onduidelijkheid. Ook leeft bij mij de vraag of onze zangtheorie met dit uitgangspunt inhoudelijk wel op het juiste spoor zit. Omdat naamgeving niet willekeurig is en we aan de hand van de naam vaak veel te weten kunnen komen over de oorsprong lijkt het me niet onwaarschijnlijk dat in een ver verleden drie vormen van waterslag onderscheiden werden: één met een snel ritme, de rollende waterslag en twee met een langzaam ritme, de klokkende en de bollende waterslag. Het kenmerkend onderscheid tussen beide laatstgenoemden zou dan niet het tempo waarin de toongrepen elkaar opvolgden maar de toervorm geweest kunnen zijn. De klokkende waterslag werd ingezet met "kl" of "gl", de bollende waterslag met "bl" of "wl". Door de structuur en opeenvolging van de medeklinkers "k" en "l" zou de "achter in de keel" gevormde klokkende waterslag van nature een wat trager ritme kunnen hebben gehad dan deze bollende waterslag. In dit licht bezien is het niet zo verwonderlijk dat vanouds een ritmeverschil tussen "klok" en "bol" werd geconstateerd. Maar het betrof wel twee verschillende toeren met een voor iedere liefhebber afzonderlijk herkenbare toervorm. Door watertoeren die in het langzame ritme werden gezongen en met "bl" werden ingezet ook te gaan benoemen als klokkende waterslag is het kenmerkende onderscheid tussen "klok" en "bol" verdwenen en laatstgenoemde verworden tot een ritmevariatie binnen één en dezelfde toervorm.

    Een geslagen bollende waterslag?
    Uitgaande van de veronderstelling dat "klok" en "bol" ooit uitsluitend zich van elkaar onderscheidden wat betreft de toervorm ligt het voor de hand dat de klokkende waterslag kenmerkend moet zijn geweest voor een waterslagerlied met een geslagen structuur en de bollende waterslag de hoofdtoer in het golvende waterslagerlied was.

    Op basis van wat ik zelf heb gehoord ben ik geneigd te veronderstellen dat het lied van waterslagers waarin vandaag de dag bollende waterslag wordt geconstateerd meer kenmerken vertoont van een golvende dan van een geslagen zangstructuur. Wanneer in onze zangtheorie het geslagen waterslagerlied als de meest gewenste ideaalvorm wordt gepresenteerd is dit dan geen reden te meer om de bollende waterslag als waardetoer in het lied van de waterslager af te schaffen.

    Slot
    Wanneer tijdens een luistersessie iemand de aanwezigen er op attent maakt dat de zingende vogel "bol" laat horen, schuift iedereen naar het puntje van z'n stoel om er maar niets van te missen. Bollende waterslag heeft iets magisch. Helaas komt dat niet omdat deze toer zich zo herkenbaar van andere toeren onderscheidt. Integendeel zou men haast zeggen. Zelfs de zangtheorie is er niet in geslaagd om aan de waterslagerkwekers voor eens en altijd duidelijk te maken wat nu het eigene van "bol" is. Wanneer alle kenmerken worden geanalyseerd blijkt er maar één de toets der kritiek te kunnen doorstaan: het ritme. De vraag lijkt me heel reëel of dat voldoende is om het bestaansrecht als afzonderlijke (hoofd)toer te rechtvaardigen?

    Literatuur

    1. Voor de tekst van de zangtheorie heb ik me gebaseerd op: M. van Woezik, Waterslagers en harzers, houden, kweken en keuren. Zj., p. 35-39. Deze tekst is vrijwel identiek aan: Handleiding voor de opleiding tot zangkanariekeurmeester. Uitgave N.B.v.V., zj. Deel Waterslagers, pp. 3-7.
    [ boven ] [ terug ]


    6: DE HOLLANDSE WATERSLAGER.

    door Jaap Plokker

    (Dit artikel verscheen eerder in het clubblad van De Kanarievogel, jaargang 2000, nr. 1, pp. 51-58 en in ‘Onze Vogels’, orgaan van de NBvV, jaargang 2000, pp. 244-246.)

    Twee werelden
    Zaterdag 7 februari 1998 zal ik niet snel vergeten. Na een rondgang door de Hanzehal te Zutphen besloot ik ook eens te gaan genieten van de voor de COM tentoonstelling ingezonden waterslagers. Ik ging een schaars verlichte ruimte binnen, vlijde me neer op een stoel en liet in alle rust de vanuit het duister op me afkomende klanken op me inwerken. Schitterend hoe het waterwerk uit de kooitjes borrelde. Na enige tijd van genieten drong de realiteit tot me door: Dit was de zang van de waterslager zoals de kwekers van "all over the world" die het liefst hoorden. Hoe anders klonk het in het clubgebouw van "De Kanarievogel" te Katwijk aan Zee. Daar hoorde ik duidelijk afgezette tjokken en tjokkenrollen en de metallieke nagalm van de staaltonen, die me deden denken aan het lied van de nachtegaal zoals die in het voorjaar in de avondschemering vanuit het struikgewas in de duinen klonk; in het "walhalla" van de waterslagerzang zocht ik tevergeefs naar de mij zo vertrouwde klanken. Was ik een andere wereld binnengetreden en in welke zong de waterslager het mooist?

    Een stukje geschiedenis
    Ik stel me zo voor dat de heer van M. Woezik, één van de grondleggers van de waterslagersport in Nederland, en z'n collega kwekers op het eind van de jaren '20 een vergelijkbare ervaring hebben gehad. Van Woezik heeft zelf opgeschreven hoe hij in 1928 voor het eerst kennis maakte met de zang van Belgische waterslagers op een kampioenstentoonstelling in Den Haag. De heer Mechels uit Antwerpen had, ter promotie van de waterslagerzang in Nederland, een achttal vogels ingezonden. Het was druk bij de zangkooitjes; met name de zangkwekers, die uitsluitend vertrouwd waren met harzerzang, toonden veel belangstelling. Van Woezik kwalificeerde de vogels achteraf als vrij goede waterslagers met veel watertoeren in hun lied. Hij vervolgde z'n herinneringen als volgt: "Hier in de stad (Den Haag, J.P.) woonde een zekere de Graaf, die buiten ons weten reeds enkele jaren in het bezit was van waterslagers. Toen we de vogels van de heer de Graaf hoorden beseften wij pas dat de vogels van Mechels, waar wij zo enthousiast over waren, toch niet de kwaliteit hadden die echte waterslagers moesten hebben, namelijk vogels met zuivere nachtegaaltoeren, zonder gedeelten uit het lied van de harzer, die bij de vogels van Mechels nog duidelijk waarneembaar waren. De vogels van de Graaf waren voor ons het prototype van de echte waterslager".1
    Nadat dhr. M. van Woezik en dhr. J. Gerrits in 1935 in België geslaagd waren voor het keurmeestersexamen hebben zij het als een doel gezien om o.a. door hun keuringen de kweek van waterslagers met het voor hun essentiële nachtegaallied te bevorderen. Anderen hebben de fakkel van beide nestors overgenomen en zijn onverdroten op de ingeslagen weg voortgegaan: Steeds strijdend tegen harzerinvloeden, de zangstructuur van het nachtegaallied stimulerend. 2
    Van Woezik heeft ons niet nagelaten hoe toentertijd de keuze van de Nederlanders voor de "nachtegaalzanger" is gevallen bij de kwekers van klassieke Belgische waterslagers. Zij distantieerden zich immers van het in België algemeen geaccepteerde prototype van de waterslager. Bij mij bestaat de indruk dat de ideeën van de Nederlanders weinig ingang hebben gevonden bij onze zuiderburen. In Nederland daarentegen vervolgde men, ook wanneer buitenlanders niet te overtuigen waren, eigenzinnig de ingeslagen weg. Een formele bevestiging van de scheiding der geesten tussen de bakermat van de waterslager en de noorderburen vond plaats in 1981 met de keuze voor een eigen, van de COM normen afwijkende, keurlijst. Hoewel door de Technische Commissies van de beide Nederlandse bonden voor vogelhouders een uiteenzetting werd gestuurd naar de Belgische waterslagerkeurmeesters, waarin het Nederlandse standpunt uitvoerig werd toegelicht, heeft men hen niet kunnen overtuigen.3 Op basis van de gang van zaken gedurende de laatste twee decennia is wel duidelijk dat de Belgische waterslagerwereld en in haar voetsporen de COM rustig op de oude vertrouwde voet is voortgegaan en men zich weinig heeft gestoord aan de escapades van de Nederlanders.

    Een gordiaanse knoop
    Niet zozeer de keuze voor de "nachtegaalzanger" op zich, doch het krampachtige streven om het geslagen waterslagerlied te integreren in het prototype van de waterslager zoals men die buiten Nederland voor ogen stond en staat heeft geleid tot een eindeloos wringen in bochten met o.m. als gevolg tweeslachtigheid in de zangtheorie en dus ook in de waardering en toenemende verwarring door keurtechnische noviteiten zoals de introductie van de rubriek "nachtegaalaccent", waarvan de interpretatie en toepassing, inmiddels, bijna 20 jaar ter discussie staat. Is het vreemd dat een kweker, zoals ondergetekende, niet weet waar hij precies aan toe is? Laatst hoorde ik over het begrip "nachtegaalaccent" een keurmeester verzuchten: "Ik word er doodziek van". Waaruit blijkt dat inmiddels de irritatie ook tot in de kringen der keurmeesters is doorgedrongen.
    Zeventig jaar na de stap van M. van Woezik cs. probeert waterslagerminnend Nederland nog altijd het onverenigbare te verenigen, zich onvoldoende realiserend dat men met dit zwoegen zich alleen maar strakker heeft gewrongen in een gordiaanse knoop, terwijl met één klap het probleem voor eens en altijd opgelost kan zijn: Accepteren dat dé waterslager niet bestaat, maar er twee varianten zijn: Een Belgische, de klassieke, waterslager met een "golvend" lied en een Hollandse variant, de waterslager met een zogenaamd "geslagen" zangstructuur.

    Twee rassen
    Nadat de principiële stap is gezet om in Nederland twee varianten van het waterslagerlied als afzonderlijke edoch gelijkwaardige rassen te erkennen is het logische vervolg dat voor beide zangstructuren een eigen zangtheorie en een eigen keursysteem worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij zal een definiëring van de kenmerkende raseigenschappen van beide waterslagervarianten moeten zijn.
    In een poging mijnerzijds de “Hollandse waterslager” te promoten en binnen het bestaande keursysteem wegen te vinden waarlangs het geslagen waterslagerlied bevoordeeld zou kunnen worden ten opzichte van de golvende zangstructuur werd door mij weer enige tijd geleden in een artikel in "Onze Vogels" het onderscheid gemaakt tussen "waterslagers" en "watergolvers". Beide zangstructuren werden door mij toen als volgt gedefinieerd:

    • Een geslagen lied wordt gekenmerkt door een krachtige uitspraak van de toeren, die, daar waar wenselijk, metalliek klinken en een snelle opeenvolging van de toeren, waarbij de indruk wordt gewekt dat de ene toer abrupt in de andere overgaat. De medeklinker "k" wordt, zowel in de toeren waar de medeklinker "k" mede is gewenst als de toeren waarvan de medeklinker "k" een wezenlijk onderdeel vormt, op een duidelijk herkenbare en krachtige wijze uitgesproken.
    • Een golvend lied wordt gekenmerkt door toeren die relatief zacht worden uitgesproken en lang worden aangehouden, soms variërend in toonhoogte en waarbij de indruk wordt gewekt dat de ene toer in de ander overvloeit. De medeklinker "k" wordt uitsluitend uitgesproken in de toeren waarvan de medeklinker "k" ook een wezenlijk onderdeel vormt. 4
    Om de klassieke "Belgische waterslager" van de "Hollandse waterslager" te kunnen onderscheiden zouden voornoemde definities als criterium kunnen dienen.

    De Belgische waterslager
    Het formeel vastleggen van de zangtheorie en beoordelingsnormen geldt in het bijzonder voor de "Hollandse waterslager". Voor zowel de zangtheorie als het keursysteem van de "Belgische waterslager" kunnen onveranderd de huidige internationaal geldende normen worden toegepast en het "COM keurbriefje" in Nederland opnieuw worden ingevoerd. Het huidige keurmeesterskorps bestaat voor een groot deel uit personen met internationale keurervaring en hun deskundigheid zal er ongetwijfeld garant voor staan dat ook in Nederland "Belgische waterslagers" volgens de internationaal geldende normen worden beoordeeld.

    De Hollandse waterslager
    Voor de "Hollandse waterslager" zullen een nieuwe zangtheorie en beoordelingsnormen moeten worden vastgesteld. Het gaat hier en nu te ver om daar uitvoerig op in te gaan, toch wil ik een aantal, mijn inziens, wezenlijke zaken niet onvermeld laten. In een serie artikelen in "Onze Vogels" heb ik de afgelopen twee jaar enkele kanttekeningen geplaatst bij de vigerende zangtheorie. Mede op basis van de aldaar getrokken conclusies zou ik de volgende rubrieken willen onderscheiden aan de hand waarvan het lied van een "Hollandse waterslager" zou moeten worden beoordeeld:
    • Klokkende waterslag
    • Rollende waterslag
    • Chor en knor
    • Staaltonen
    • Fluiten
    • Fluitenrol
    • Bellen (Belrol)
    • Tjokken
    • Tjokkenrol
    • Indruk
    • 15 pnt.
    • 9 pnt.
    • 6 pnt.
    • 6 pnt.
    • 6 pnt.
    • 6 pnt.
    • 6 pnt.
    • 6 pnt.
    • 6 pnt.
    • 6 pnt.
    Bovenstaande wijkt af van de huidige keurlijst. Een korte, wellicht te beperkte, verantwoording lijkt hier toch wel op z'n plaats.
    Om de verhouding tussen "watertoeren" en "binnenlied", mijn inziens, meer met elkaar in balans te brengen en daarbij tevens de klokkende waterslag te promoten is gekozen om het met de watertoeren te behalen aantal punten te verhogen door de "klok" op te waarderen en het met het binnenlied te behalen aantal punten te verlagen door de rubrieken bellen en belrol samen te voegen. Om eventuele misverstanden bij voorbaat te voorkomen: Uitsluitend de geslagen vorm van klokkende waterslag mag in het lied van de "Hollandse waterslager" als waardetoer worden erkend.5
    De bollende waterslag is van de keurlijst verwijderd omdat deze toer niet te verenigen is met een geslagen zangstructuur.6
    De toeren tjonken, soeten, woeten en schokkel zijn niet in de lijst opgenomen, omdat zij in de afgelopen eeuw uit het lied van de waterslager zijn verdwenen.7
    De rubriek nachtegaalaccent is afgevoerd omdat de waardering van het slagelement verdisconteerd zou moeten zijn in zowel de keuze voor het ras als de beoordeling van de afzonderlijke toeren. Ik verwijs hierbij naar de hierboven geplaatste opmerking betreffende de waardering van de klokkende waterslag.
    Eveneens verdwenen is het onderdeel "Strafpunten". Van deze mogelijkheid werd en wordt, naar mijn weten, geen gebruik gemaakt. Om naast de beoordeling van de gezongen waardetoeren toch ook de negatieve cq. positieve elementen in het lied als totaal klankbeeld substantieel te kunnen bestraffen/belonen is de rubriek "indruk" opgewaardeerd.
    De laatste kanttekening die ik hier zou willen plaatsen is het bestaan van de vermenigvuldigingsfactor 3. Alleen bij de beoordeling van waterslagers wordt deze oude methode nog toegepast en ook nog zonder één geldige rationele reden of het moet de uitdrukkelijke wens zijn een traditie te laten voortbestaan.

    De praktijk
    Bovenstaande betekent in de praktijk dat, wat mij betreft, in de komende eeuw in Nederland kwekers van waterslagers zich op twee, in ieder geval door de Nederlandse organisaties erkende, gelijkwaardige rassen kunnen toeleggen en die ook voor wedstrijden zouden moeten kunnen inzenden: De "watergolver", oftewel de "Belgische waterslager", die gekeurd wordt volgens de internationaal geldende normen op het door de COM erkende keurbriefje en de "waterslager", de "Hollandse waterslager", gekeurd op basis van een eigen zangtheorie en een aan deze zangtheorie ontleende keurlijst.
    Zijn het in de samenleving de rechters die de door de volksvertegenwoordiging vastgestelde wet interpreteren en toepassen, in onze situatie zullen in de praktijk vooral de keurmeesters de grenzen tussen de twee rassen moeten bepalen. Juist in de aanvangsperiode pleit ik voor één keurbriefje met twee schalen: een schaal voor de “Belgische" en een schaal voor de “Hollandse waterslager" en tijdens de keuring bepaalt de keurmeester in welke schaal de vogel beoordeeld dient te worden.

    Waar gaan we in de nieuwe eeuw naar toe?
    De erkenning van de "Hollandse waterslager" als afzonderlijk waterslagerras zou wel eens de redding van de "nachtegaalzanger" in de Lage Landen kunnen zijn. Bij een handhaving van de huidige constellatie zijn de voortekenen voor de populariteit van het geslagen waterslagerlied, in mijn ogen, niet gunstig. Steeds vaker hoor ik op afluistersessies waterslagers met een zogenaamde golvende zangstructuur. Ook uit opmerkingen van kwekers die elders in Nederland hun oor te luisteren leggen kan ik geen andere conclusie trekken. Tekenend in dit verband is dat in 1998 in "Zutphen" Nederlandse waterslagers tijdens een COM keuring Belgische vogels de loef afstaken. Ondanks alle pogingen in het verre en recente verleden om in Nederland de geslagen zangstructuur te stimuleren kiezen, voor zover mijn waarneming strekt, Nederlandse waterslagerkwekers steeds vaker voor de zang van de klassieke, "Belgische waterslager", met z'n golvende voordracht.
    Wat nu wanneer de "Hollandse waterslager" internationaal niet als een afzonderlijk zangkanarieras zal worden erkend. Dat is jammer, maar er is zeker geen man overboord. Kan iemand zich herinneren wanneer voor het laatst een waterslager met een uitgesproken geslagen voordracht tijdens een COM tentoonstelling wereldkampioen geworden is? Een officiële afwijzing van de "Hollandse waterslager" als internationaal erkend ras is daarom geen breuk met het verleden, geen afgang voor cq. slag in het gezicht van de liefhebbers van het "nachtegaallied", maar slechts een formele bevestiging van de situatie zoals die al decennia lang de facto bestaat.
    Verantwoording

    1. M. van Woezik, Een stukje geschiedenis van de waterslager. In: Onze Vogels, jaargang 1970, p. 350.
    2. Toorn, Mevr. C. v/d, Over Zangkanaries gesproken... Zitten we wel op de goede toer? In: Onze Vogels, jrg. 1979, p. 521. Toorn, C. v/d, Zangkwekers, let op! In: Onze Vogels, jrg. 1981, pp. 306-307. Warmerdam, H., Waterslager. In: Onze Vogels, jrg. 1981, pp. 534-535.
    3. Handleiding voor de opleiding tot zangkanariekeurmeester. Uitgave N.B.v.V., zj. Deel Waterslagers, p. 22-23.
    4. Plokker, J., Over nachtegalen, waterslagers en watergolvers. In: Onze Vogels, jrg. 1997, pp. 174-175, 200-201.)
    5. Plokker, J. Gewikt en gewogen. In: Onze Vogels, jrg. 1999, pp. 12-13.
    6. Plokker, J., Bollende waterslag: een zangtoer in de schemerzone. In: Onze Vogels, jrg. 1999, pp. 470-471.
    7. Plokker, J., Die vermaledijde tjonken. In: Onze Vogels, jrg. 1998, pp. 249. Plokker, J. Anachronismen. In: Onze Vogels, jrg. 1998, pp. 524-525.
    [ boven ] [ terug ]


    7: IN GESPREK MET ..... een eigenzinnige waterslagerkweker.

    door Jaap Plokker

    (Onderstaande is een fragment uit een interview met de heer T.C. Diepenhorst te Katwijk. Het volledige interview verscheen in het clubblad van De Kanarievogel, jaargang 1999, nr.2, pp. 24-38. Het onderstaande fragment heeft vooral betrekking op de experimenten die de heer Diepenhorst heeft gedaan op het gebied van het zangmilieu als zangbepalende factor.)

    Inleiding
    In de wereld van de zangkanariesport kom je aparte vogels tegen, ieder met een eigen "handelsmerk". We kennen ze ook uit onze eigen vereniging, van vroeger en vandaag de dag. Het leek me razend interessant om voor het gebruikelijke interview eens op bezoek te gaan bij een zangkanariekweker met eigen, uitgesproken, opvattingen over hoe je de mooiste waterslagers zou moeten kweken. Het werd een ontdekkingstocht in een zangkanariewereld van experimenten met waterslagerzang op cassettebandjes en cd en vogelverblijven met tientallen speakertjes. Voor de ingewijde lezer is het inmiddels al duidelijk dat ik een gesprek heb gehad met ...... Ton Diepenhorst.

    (…..)

    Nu heb je bijna 30 jaar waterslagers. Raak je er nooit op uitgekeken?
    Ik vind het nog steeds een razend spannende hobby. Ieder jaar weer de vraag: Hoe zal de zang van de vogels zich dit najaar gaan ontwikkelen? Komt dat er uit wat ik tijdens de kweek voor ogen heb gehad? Juist, omdat ik zo mijn eigen opvattingen heb en via experimenten probeer er achter te komen of ik het bij het juiste eind heb, is ieder seizoen weer spannend. Ook dit jaar weer. Ik heb wat veranderd, maar ik moet tot het najaar wachten om te kunnen horen wat het resultaat is.

    Hoe ben je er eigenlijk toe gekomen om zo met de zang te gaan experimenteren?
    Tijdens de opleiding voor keurmeester heb ik het moeten leren en de eerste jaren als keurmeester het ook vol overtuiging uitgedragen: Zang is een erfelijke kwestie. Door selectie en lijnenteelt verbeter je de kwaliteit van de zang in je hok. Alle aandacht was in die tijd gericht op de vererving; zangmilieu was van ondergeschikt belang. Begin jaren '80 ben ik aan het denken gezet door een oude brochure uit 1922 van de Belg Peleman, die juist het belang van de voorzang beschreef. Tegelijkertijd verschenen in het bondsblad van de Algemene Bond artikelen waarin werd beweerd dat het uiteindelijke lied vooral werd bepaald door het zangmilieu. Door hier verder over na te denken begon ik me steeds meer te interesseren voor de vraag of ik door het zangmilieu te beïnvloeden een waterslager een lied kon laten zingen wat ik van te voren zelf had bepaald. Ik ben toen ook begonnen met experimenten om te kijken of dat praktisch uitvoerbaar was.
    Ik wilde over een aantal vragen duidelijkheid hebben. De eerste was: Zingt elke kanarie als een waterslager wanneer hij vanaf de geboorte uitsluitend voorzang van een waterslager heeft gehad? Als ik dat kon bewijzen was duidelijk dat het zangmilieu een belangrijke zangbepalende factor was en niet de erfelijkheid. Met een duidelijk antwoord op deze vraag kon ik beginnen aan de tweede: Kan ik, door met behulp van geluidsapparatuur een ideaal zangmileu te creëren, de kwaliteit van de zang van m'n vogels verbeteren?

    Welke proeven heb je toen gedaan?
    Om een duidelijk antwoord te hebben op de eerste vraag heb ik kanaries oplaten groeien in een ruimte zonder kanariezang. Het resultaat was zang wat ik nauwelijks een lied zou willen noemen. Ik heb kleurkanaries op laten groeien in en ruimte vol met waterslagerzang. Het resultaat was dat er duidelijk iets van het waterslagerlied in te herkennen was. Ook heb ik harzereieren door waterslagers laten uitbroeden en de jongen zijn ook grootgebracht zonder dat ze maar een toon harzerzang gehoord hebben. De vogels heb ik ingezonden voor een wedstrijd in Katwijk en ze werden als waterslager beoordeeld. De hoogste kreeg 108 punten. Voor mij staat als een paal boven water dat vooral voorzang bepaalt dat een kanarie zingt als een waterslager.

    Maar met een kanarie die zingt als een waterslager ben je nog geen kampioen.
    Precies. Om waterslagers te kweken die ook echt mooi zijn en als wedstrijdvogel in de prijzen zouden kunnen vallen moest ik uit een ander vaatje tappen. Daar waren bijv. die kleurkanaries niet geschikt voor. Of het wel met harzers mogelijk is is voor mij nog een vraag. Ik loop met plannen om daar toch nog eens een experiment aan te wagen. Tenslotte is een harzer wel een zangkanarie met een zangorgaan dat tot diepe zang in staat is. Maar tot nu toe heb ik me voor de wedstrijdvogels toch uitsluitend toegelegd op raszuivere waterslagers.

    Dus er zijn ook erfelijke factoren in het spel?
    Daar twijfel ik niet meer aan. Op grond van de experimenten die ik heb gedaan blijkt dat je niet zomaar lukraak je kweekmateriaal kan pakken. Om goede vogels te kunnen kweken moet je met goed kweekmateriaal aan de slag gaan. Ik kweek, bijvoorbeeld, alleen met forse mannen, met een voorkomen van, zo "hier ben ik"; geen zenuwenleiders, die of als een raket door het kooitje schieten, of voor dood in een hoekje zitten. Brutale kanaries zijn vaak vogels die, als je ze opzet, gelijk zingen. En verder selecteer ik ook mannen met een goede zangkwaliteit. De vogels moeten aanleg hebben om een toer op de goede, dus diepe, grondtoon te kunnen zingen. Volgens mij speelt ook hierbij de vererving een belangrijke rol. Tijdens de broed noteer ik of de poppen goed broeden, voeren, etc. Jongen van slecht voerende poppen hou ik niet aan.

    Maar met de door jou genoemde factoren houden toch de meeste kwekers rekening mee; wat doe jij dan anders?
    Ik denk dat de meeste kwekers keurig bijhouden welke man ze op welke pop zetten, een kweeklijn opzetten van dochter op vader, enz. Nou, daar geloof ik niet meer in. Als ik met goede poppen en goede mannen kweek zit de aanleg om tot een mooie zanger uit te kunnen groeien er bij voldoende vogels in. Ik heb liever bevruchte eieren dan dat ik zeker weet van welke ouders een jong is. Een pop krijgt van mij iedere dag een andere man. Als de eieren bezet zijn weet ik niet welke man bevrucht heeft. Hoef ik ook niet te weten.
    Wat ik natuurlijk ook heel anders doe dan de meeste kwekers is de voorzang in mijn hok. Bij mij krijgen de vogels de voorzang ik voor ze heb uitgekozen, via de luidsprekers.

    Hoe ben je eigenlijk op dat idee gekomen?
    Het idee is eigenlijk heel logisch wanneer je er van uitgaat dat voorzang het lied bepaalt. Je kan je voorzang op twee manieren regelen. Zuivere vogels kopen en die als voorzanger gebruiken. Dat heb ik ook geprobeerd. Maar probeer maar eens de ideale waterslager te pakken te krijgen. Dat lukt je niet, want, zo die al bestaat, dan is hij toch niet te koop. Door toeren van verschillende vogels op te nemen op een bandje kan je wel zelf dat ideale lied samenstellen. Dat ben ik dus gaan doen.
    In België zag ik ooit eens een apparaat waar je aan een hendel moest draaien en dan kwam er harzerzang uit. Die gebruikten ze vroeger in de harzerkweek. Dat noemden ze toen een zangorgel. Er is in principe dus eigenlijk niks nieuws onder de zon.

    Hoe ben jij te werk gegaan?
    In heb een inzetkooitje genomen. Om de spijltjes heb ik een rubber slangetje gedaan zodat, als de vogel heen en weer hipt, je dat getik niet hoort. Ik heb een mooie man in dat kooitje gedaan, in een geluidsdichte ruimte gezet, microfoon erbij, cassette aan en draaien maar. Op die manier heb ik de zang van talloze vogels op geluidsband gezet. Ik heb stad en land afgereisd om mooie vogels te kopen en de zang op te nemen.
    Toen ik genoeg en goed materiaal had ben ik van al die vogels de mooiste toeren uit gaan zoeken en heb die achter elkaar gezet. Dat bandje, met een aaneenrijging van de, in mijn ogen, mooiste toervormen heb ik vanaf de broedtijd tot in het najaar de hele dag laten draaien. Het resultaat viel tegen. De vogels zongen schitterende toeren, maar het was geen lied. Het was tegelijkertijd een gelukt en ook een mislukt experiment. Gelukt was het omdat ik had bewezen dat je met behulp van een bandje waterslagers toeren kon aanleren.
    Om de vogels dus ook een compleet lied te laten zingen moest ik het anders aanpakken. Ik koos ervoor om het bandje met aparte toeren te vervangen door een bandje met een compleet lied. Dus toen heb ik mooie stukjes uit een compleet lied achter elkaar gezet en dat ging wel goed. Het heeft me al met al een vracht werk gekost met als resultaat een doos vol met cassettebandjes en uiteraard heel veel praktijkervaring. Het nadeel van die bandjes is wel dat ze slijten en na honderd keer draaien is het geluid niet meer om aan te horen. De komst van de cd is dus voor mij een uitkomst.
    Het nieuwste is dat er een cd op de markt is gekomen met zang van waterslagers van van Papen en Schulenberg, kwekers van de andere bond. Er staan losse toeren op en zang van meerdere vogels tegelijk. Ik heb dat stukje waarin 4 vogels tegelijk zingen steeds opnieuw laten kopiëren op zo'n cd waarop je zelf kunt opnemen. Het zijn geen ideale vogels, maar ik vind ze wel heel mooi, mooi genoeg om als voorzang te gebruiken. Met een tijdschakelaar zorg ik ervoor dat vanaf 6 uur 's morgens tot 10 uur 's avonds de hele dag door met steeds een paar minuten pauze dat cd'tje speelt, zowel in de broedafdeling als waar de jonge vogels zitten. De geluidskwaliteit heb ik nog nooit zo goed gehad. Ik heb er dus heel hoge verwachtingen van. Het najaar kan wat mij betreft niet vlug genoeg komen.

    Hoe waren de reacties toen je met je ideeën kwam?
    Toen ik er pas mee begonnen was ben ik ooit eens met zo'n cassettebandje en mijn ervaringen naar een studiedag van de landelijke speciaalclub "De Nachtegaal" geweest. Vroeger hadden ze hun wedstrijd in Amersfoort, tegenwoordig doen ze dat in Rijssen. Ze hebben m'n verhaal aangehoord en toen ik uitgesproken was ben ik voor "zot" verklaard. Een enkeling ging met me mee.
    Toch heb ik het sterke vermoeden dat vandaag de dag in den lande veel meer kwekers met bandjes rotzooien dan jij en ik denken. Ze verklaren je voor gek, maar gaan het zelf ook doen.

    Heb je nog nooit aan je gelijk getwijfeld?
    In de loop der jaren ben ik vooral door de ervaringen uit de praktijk over bepaalde zaken wel iets anders gaan denken, wat minder extreem dan 10 jaar geleden. Achter het standpunt dat voorzang het lied bepaald sta ik nog altijd voor 100%. Wat een vogel in de voorzang niet hoort, zal hij zelf ook nooit zingen, terwijl hij er misschien wel de aanleg voor heeft. Toch heb ik eens een moment van twijfel gehad. Dirk Venema had aan iemand, ik meen uit Leerdam, mannen en poppen verkocht om een eigen stam op te zetten. Dirk had hem toen geadviseerd om alles weg te doen en alleen met zijn vogels te gaan kweken. In het najaar belde die man Dirk op om eens langs te komen en de vogels af te luisteren. Ik had wel zin om mee te gaan, dus wij naar Leerdam. Misschien herinner je Dirk z'n vogels uit die tijd nog wel. Schitterende, diepe, vogels, maar een staaltoon moest je met een kaarsje zoeken. Die man zette een stammetje op en de staaltonen denderden de kooitjes uit. De man maar eens gevraagd of hij ook met andere vogels gekweekt had. Nee, hij had precies gedaan wat Dirk gezegd had en alle andere vogels van de hand gedaan. Daar zat ik dan met mijn theorie van voorzang. Toen heb ik echt getwijfeld of ik het toch bij het verkeerde eind had. Voor de zekerheid hebben we toen gevraagd of de vogels soms een andere kanarieman gehoord konden hebben. Nou ja, één vogel had hij gehouden, die zat in een sierkooi in de huiskamer. Dat was een hele vlotte zanger en in de broedtijd had hij hem in z'n hok neergezet. Er viel een pak van m'n hart. Wij hebben toen even voor ons neus weg gevraagd of we die man ook even mochten horen. En ja hoor, dezelfde staaltonen als bij de jonge vogels. Zo werd, wat eerst de doodsteek voor mijn theorie leek, er juist een bevestiging van.

    Hoe zie je de toekomst van de waterslagers?
    Ik heb al eerder gezegd dat je als kweker steeds kritischer wordt en je aan steeds meer gaat ergeren wat niet goed is. Ik vind dat er toch te nonchalant wordt omgesprongen met vogels die niet zuiver zijn. Ik ben er vast van overtuigd dat kwekers pas wat aan de zuiverheid van hun vogels gaan doen wanneer foutieve toervormen bestraft worden. Er ligt dus een schone taak op dit vlak voor onze keurmeesters, maar die zijn, voor zover ik weet, voorlopig nog niet van plan om strafpunten uit te delen.

    En hoe ziet de toekomst voor de waterslagerkweek er uit wanneer jij voor 100% gelijk krijgt en je kampioen stammen bij de waterslagers kunt worden door hele dagen een cd'tje af te draaien?
    Ik heb daar hele tegenstrijdige gedachten over. Aan de ene kant hoop ik dat ik uiteindelijk toch mijn gelijk krijg en mijn vogels straks op onze show, de wedstrijd van Studieclub en op de Bondshow de sterren van de hemel zingen, precies zoals ze nu te horen krijgen. Dan maak ik een lange neus naar al die kwekers en kopstukken in Nederland die me in de afgelopen jaren niet serieus hebben genomen en me min of meer voor "zot" hebben versleten.
    Aan de andere kant heb ik ook mijn bedenkingen, want wat blijft er van onze schitterende sport over wanneer het uiteindelijk neerkomt op het mooiste cd'tje en de beste afspeelapparatuur. Dan is de magie uit de zangsport verdwenen: Weg de spanning, waarover ik het eerder had, van: "Hoe zullen ze dit najaar zijn? Zijn ze bij jou al op zang? Hoor je al klok?" Daarom heb ik eigenlijk diep in mijn hart, in het belang van de sport, soms ook nog wel eens de hoop dat het kweken van goede waterslagers uiteindelijk toch meer blijkt te zijn dan zomaar een man op een pop zetten en de cd-speler aanzetten.

    Naschrift
    Na het lezen van bovenstaand interview is het misschien wel aardig om m.b.t. het creëren van een kunstmatig zangmilieu een uitspraak te citeren uit een relatief recent verschenen, vooraanstaand, handboek over de kweek met o.m. zangkanaries: ‘Met de komst van moderne audio apparatuur in de tweede helft van de 20e eeuw ontstond toch weer een soortgelijk streven bij zangkanarieliefhebbers. Grammofoonplaten, cassettebandjes werden bespeeld met de zang van goede vogels en vervolgens gebruikt ter ondersteuning van de zangstudie van de jonge mannen. Vastgesteld kan worden dat al dergelijke hulpmiddelen hooguit bestempeld kunnen worden als noodhulp om, in de tijd dat de kanaries niet zingen, te gebruiken. Geen enkele zangkweker heeft de zangopleiding van zijn jonge manen toevertrouwd aan dergelijke apparatuur en daarmee uitstekende resultaten bereikt.’ (H.K. van der Wal, Handboek voor het houden en kweken van zang-, kleur- en postuurkanaries. Baarn 1997. p. 19)
    Het gaat hier te ver om de volledige erelijst op te sommen van de door de waterslagers van de heer Diepenhorst in de afgelopen 10 jaar op lokale, regionale en landelijke zangwedstrijden behaalde resultaten. Meermalen werden kampioenschappen en ereplaatsen behaald.
    [ boven ] [ terug ]


    8: NASCHRIFT.

    door Jaap Plokker

    Naar aanleiding van de hierboven geplaatste artikelen uit o.m. ‘Onze Vogels’ hecht ik er aan nog het volgende op te merken.

    In de loop van de jaren ’90 kreeg ik de indruk dat de zangkanariesport in het algemeen en de waterslagerkweek in het bijzonder letterlijk en figuurlijk steeds grijzer werd. Dit gevoel werd allengs sterker, omdat ik op zangwedstrijden nauwelijks nieuwe gezichten zag en in ons bondsorgaan ‘Onze Vogels’ er al geruime tijd een publiciteitsstilte omtrent waterslagers heerste. Het leek mij dat de waterslagerkweek wel wat leven in de brouwerij kon gebruiken en de kogel ging pas echt door de kerk toen de eindredacteur van ‘Onze Vogels’ mij persoonlijk vroeg iets over waterslagers in het bondsorgaan te publiceren.
    In de loop der jaren had ik zo wat vraagtekens gezet en gedachten gevormd bij sommige aspecten van de zangtheorie en hoe die in de praktijk werden toegepast. Dit leek me een goede instap om een publieke discussie in de waterslagerwereld uit te lokken. Een goede discussie, immers, prikkelt de interesse, stimuleert initiatieven, verhoogt de betrokkenheid en belevingswaarde en vergroot kennis en inzicht. Gedurende de jaren 1997 – 2000 verschenen er van mij diverse artikelen in ‘Onze Vogels’. Hoewel op de artikelen enige reacties binnenkwamen hebben ze niet geleid tot een levendig debat. Mijn streven, om door middel van een levendige, publieke discussie in het bondsorgaan te bouwen aan een imago van de zangsport als een innoverende, bruisende, tak van de vogelhouderij is dus mislukt. Integendeel, de inhoud van de debatten heeft veerleer bijgedragen tot het in stand houden van het aureool van traditie, geslotenheid en zeurderigheid dat al decennialang de zangsport omgeeft.

    Ik zou de replieken op mijn artikelen willen verdelen in:

    • Reacties uit de kring van keurmeesters van de NBvV.1
    • Overige reacties.2
    De ‘overige reacties’ bestaan uit slechts één artikel, t.w. van de heer R. Wolterink te Rijssen. Hoewel ik met hem op enkele punten van mening blijf verschillen had hij wel uitstekend begrepen dat met een openlijke en inhoudelijke discussie de waterslagersport een grote dienst bewezen zou kunnen worden. Zijn uitspraak ‘waar meningen verschillen wordt de waarheid geboren‘ sloeg de spijker precies op z‘n kop.

    Een veel minder goed gevoel kreeg ik bij het lezen van de reacties uit de kring van waterslagerkeurmeesters van de NBvV. Uit de replieken bleek dat men nauwelijks de moeite had genomen de inhoud van mijn artikelen te analyseren, maar veeleer gefocust was op de eigen positie van keurmeester. Daar waar ik mezelf en anderen de vraag stelde om eens kritisch te kijken naar de zangtheorie en de daarop gebaseerde keurpraktijk voelden keurmeesters zich bekritiseerd op hun eigen functioneren en werd ik impliciet ervan beschuldigd hun persoonlijke integriteit in twijfel te trekken. Niet zozeer wat er geschreven stond, maar door wie het geschreven was bepaalde de toon van hun commentaar, althans zo kwam het bij mij over. Kennelijk hoefde ik maar weinig te bewegen om op tenen van sommige keurmeesters te staan.
    Uitgesproken persoonlijk was de reactie, waarin ik ervan werd beticht mijn frustraties te botvieren op geledingen binnen de NBvV. Bijna 20 jaar ben ik bestuurslid geweest van De Kanarievogel, waarvan 15 jaar voorzitter. Als blijkt van waardering hebben de leden mij benoemd tot erelid, waarmee ik uitermate verguld ben. In de functie van voorzitter heb ik 15 jaar de vereniging zowel op regionaal als op districtsniveau vertegenwoordigd. Tijdens deze vergaderingen heb ik altijd gepoogd me kritisch doch constructief op te stellen en voor deze houding heb ik persoonlijk van de toenmalige voorzitters van het district Zuid Holland meermalen waarderende woorden mogen ontvangen. Ook op het sportieve vlak heb ik met mijn vogels op afdelings-, regionaal-, districts- en bondsniveau meermalen het hoogste eremetaal mogen behalen. Hier spreekt geen mens, die enige behoefte voelt zich te willen afreageren jegens de vogelsport, integendeel. Wat ik wel als een teleurstelling heb ervaren is dat ik graag in positieve zin had bijgedragen aan een grotere belangstelling en meer enthousiasme voor de waterslagersport. Ik heb daar op mijn wijze ook veel tijd en energie in gestoken, zowel op afdelingsniveau, speciaalclubniveau als op bondsniveau, maar ik ben in dat streven gestuit op krachten die iedere vorm van discussie als een bedreiging zagen en zodra de zangsport maar enigszins dreigde te gaan bruisen niet wisten hoe snel ze de deksel weer op de pan moesten krijgen.
    De heer Wolterink heeft wel begrepen waar het in de waterslagersport aan ontbrak. Zijn ‘waar meningen verschillen wordt de waarheid geboren‘ was mij uit het hart gegrepen. Enkele keurmeesters van de NBvV hebben er overduidelijk blijk van gegeven over dat inzicht niet te beschikken. Jammer voor de discussie, jammer voor de zangsport.

    Jaap Plokker

    Katwijk, oktober 2003

    1. R. Wolterink, Reactie op gewikt en gewogen. In: Onze Vogels, jrg. 1999, p. 31.
    2. Bestuur K.M.V. Zang, Een reactie op ‘Wat zijn waterslagers en wat zijn watergolvers’. In Onze Vogels, jrg. 1997, p. 478. H. Warmerdam, Het sprookje van de zang. In: Onze Vogels, jrg. 2000, pp. 98-100.
    [ boven ] [ terug ]